Gobelinus Moer
Deze Bossche klokkengieter wiens voornaam ook wel als Gobel werd uitgesproken, was afkomstig van Keulen alwaar zijn vader Johannes klokkengieter was. In een schepenprotocol van Den Bosch werd hij in 1452 namelijk als volgt genoemd: Gobelinus clockgieter, dictus Becker de Colonia. Zijn familienaam was derhalve Becker, maar in Den Bosch zou het allengs Moer worden. Hij moet zich dus in 1452 of daarvoor in deze stad gevestigd hebben. Er zijn aanwijzingen dat hij aanvankelijk knecht was bij de Jan en Willem Hoernken. Mogelijk heeft Moer na het overlijden van Willem in 1474, Jan was al in 1471 overleden, samen met diens weduwe de klokkengieterij willen voortzetten, zij het zonder succes.Na de dood van Willem Hoernken in 1474 telde Den Bosch nog twee klokkengieters: Gobelinus Moer en de nog jonge Geert van Wou. Stellig was er concurrentie, doch ook een maal een samenwerking en wel de merkwaardigste die de klokkengeschiedenis gekend heeft. Op de grote uurklok van Arnhem uit 1477 wordt namelijk vermeld dat de klok gegoten is door Geert van Wou en Gobel Moer, maar ook dat de klok gegoten is door Gobel Moer en Geert van Wou. Het bleef bij deze eenmalige samenwerking, want kort daarop vertrok Geert van Wou uit Den Bosch om zich te Kampen te vestigen. Overigens, reeds in 1474 had Gobel Moer met een andere klokkengieter en met name een zekere Willem Carper samengewerkt toen een klok voor het Franse Saint-Omer gegoten moest worden. Maar in datzelfde jaar werkte hij ook samen met de heel wat bekendere Bossche gieter Willem Hoernken. Samen goten zij de banklok voor Douai (F.).Gobelinus Moer had zeven kinderen van wie Jaspar en Willem in het voetspoor van hun vader zouden treden. Dochter Maria trouwde met Jan Zael. Uit dit huwelijk werd Gobel Zael geboren, de eerste klokkengieter te Amsterdam. Gobel Moer zal vóór 17 december 1504 zijn gestorven zijn.bronnen:C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), p.38-41.T.J.Gerits, De klokgieters Moer in de zuidelijke gewesten. In: Bossche Bijdragen. Bouwstenen voor de geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch, deel 30, afl.1, 1970, p.60-84.
Willem en Jaspar Moer
De gebroeders Willem en Jaspar Moer waren zonen van Gobel Moer. Zij hadden hun werkplaats, evenals hun vader, in ’s-Hertogenbosch. Willem stierf omstreeks 1519, Jaspar in of ná 1541.Willem en Jaspar Moer hebben een indrukwekkend oeuvre achtergelaten. Zo goten zij in 1507, dus drie jaar na de dood van hun vader, voor de Kathedraal van Antwerpen de 12.000 pond wegen Karolus. Het is een buitengewoon fraai gegoten klok. Ook leverden zij in 1503-1504 aan de abdij van Averbode waar een zwager van Jaspar abt was. Het betrof niet alleen zes op toon gegoten luidklokken doch ook een voorslag van vijf klokjes alsmede enkele altaarschellen. In 1505 goten zij zo’n voorslag voor de Kathedraal van hun vaderstad. Hoogtepunt was stellig 1515 de Servaasklok die zij voor de Servaasbasiliek te Maastricht hebben gemaakt. Deze indrukwekkende klok kreeg de koosnaam grameer. Helaas is ze al lang gescheurd en staat daarom in het pandhof opgesteld.Het heeft er alle schijn van dat na het overlijden van Willem omstreeks 1519 zijn broer Jaspar nog slechts sporadisch klokken heeft gegoten. Zo goot hij in 1522 de lichte beiaardklokjes van zijn broer en hem uit 1503 in een zwaardere uitvoering. Maar nog in 1541, dus kort voor zijn dood, goot hij met zijn zoon Jan een bijna zesduizend kilogram zware klok voor Den Haag. De Bossche gieterij zou door deze zoon voortgezet worden.bron:T.J.Gerits, De klokgieters Moer in de zuidelijke gewesten. In: Bossche Bijdragen. Bouwstenen voor de geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch, deel 30, afl.1, 1970, p.60-84.
Jan Moer
Jan Moer die zijn vader Jaspar in de Bossche gieterij opvolgde, had het tij niet mee. Het oudst bekende bericht vertelt dat hij in 1541 samen met zijn vader een bijna zesduizend kilo zware klok voor Den Haag goot. Ook moest hij regelmatig zware teleurstellingen incasseren. In de jaren 1548-1550 moest hij te Delft tot drie maal toe een al even zware klok hergieten. Maar hoe dit ook zij, in elk geval moet hij een gerespecteerd meester zijn geweest getuige deze belangrijke opdracht. Nochtans zouden de Mechelse gieters uit de geslachten Waghevens en Van den Ghein Den Bosch volledig overvleugelen. Vanzelfsprekend had dit ook met de politieke en godsdienstige omstandigheden te maken. Toen Jan Moer omstreeks 1566 stierf, was het dan ook gedaan met het klokken gieten in deze eens zo belangrijke Brabantse stad. Opvallend is dat Jan Moer, evenals de gieters in Mechelen, zonder enig succes ook beiaarden heeft gegoten. Zo goot hij in 1560 een spel voor Gdansk en in 1563 voor Amsterdam. Maar beide zijn reeds lang verdwenen.bron:T.J.Gerits, De klokgieters Moer in de zuidelijke gewesten. In: Bossche Bijdragen. Bouwstenen voor de geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch, deel 30, afl.1, 1970, p.60-84.André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 2de druk 1981), p.71 en 166.
