Auteur: André Lehr
Erasmus en het klokkenspel
Wie was Erasmus?Desiderius Erasmus (1466-1536), Rotterdammer van geboorte, was een humanist van Europees formaat.Zeer bedreven in het Latijn en later ook het Grieks was hij meer dan wie ook bekend met de klassieke auteurs die hij zo bewonderde. Een geleerde die zijns gelijke niet kende, doch ook een geleerde die gedurende zijn gehele leven vele landen van Europa bereisde zonder zich ergens voorgoed te vestigen. Na 1501 zou hij Holland echter nimmer weerzien en tenslotte in 1536 te Bazel sterven.Humanist als hij was en schrijver van talrijke geleerde werken had hij contact met vele groten der aarde, of het nu de paus of een bisschop was dan wel een landsheer van meer dan regionale betekenis. Spotte hij bij tijd en wijle met hen? Men leze zijn nog altijd bekende “Lof der Zotheid” waarin de godin Zotheid de draak steekt met zoveel ijdelheden. Maar Erasmus was veel meer, een man die de menselijke vrijheid hoogachtte en als basis van menselijke handelen zag. Daarmee ook werd zijn tijdgenoot Luther zijn tegenstrever en zou hij, Erasmus,gehecht ook als hij was aan tradities, binnen de katholieke kerk zijn vertrouwde huis blijven vinden. En temeer omdat hij een priester was welke wijding hij zijn leven lang trouw is gebleven.
Acht klokopschriften van ErasmusErasmus heeft ook contact met de klokkenwereld gehad, zij het waarschijnlijk slechts één maal. Omstreeks 1501, althans zo werd tot voor kort aangenomen, heeft hij acht Latijnse klokopschriften geschreven. Die verzen werden in 1507 te Parijs gepubliceerd, tezamen met andere, in het tweede deel van Erasmus’ Epigrammata. Ze waren bestemd voor zes klokken; twee ervan waren derhalve varianten waaruit een keuze moest worden gemaakt. Maar voor welke klokken waren die opschriften? Erasmus kenners hebben zich dat al vele malen afgevraagd,kwamen weliswaar met enkele hypothesen, doch geen ervan was op alle punten werkelijk sluitend te noemen. Maar vanwaar die onzekerheid over de herkomst?Het opschrift voor de grootste klok vermeldt dat zes klokken werden gegoten nadat de toren en de kerk door blikseminslag verloren waren gegaan. Dat herstel kwam tot stand, zo zegt het opschrift bovendien, dankzij de goede zorgen van prelaat Gerardus Scastus. De vraag is daarom duidelijk: welke kerk werd door blikseminslag vernield die herbouwd werd en van zes klokken voorzien? C. Reedijk, de latere bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek,deed in zijn dissertatie de suggestie dat het zou gaan om het voormalige klooster te De Hem nabij Schoonhoven. Aldaar was in 1495 een blikseminslag geweest, maar veel verder komt.de bewijsvoering niet en zeker niet als het gaat om prelaat Gerardus die aldaar nimmer gesignaleerd is. Toch probeerde Reedijk daar een oplossing voor te vinden. Hij merkt op dat Henricus Schadehoet, de wijbisschop van Utrecht, de nieuwe abdij te De Hem heeft ingewijd. Maar Erasmus vergiste zich in het opschrift door een zekere Gerardus Scadde die eer te gunnen, nota bene een man die omstreeks 1424 het klooster van de Broeders des Gemenen Leven te Den Bosch had gesticht, in de stad alwaar Erasmus enkelejeugdjaren zou doorbrengen bij genoemde broeders. En met Gerardus Scadde kom je natuurlijk een heel eind in de richting van Girardus Scastus. Reedijk. vermeldt daarbij dat Erasmus bekend stond zich in eigennamen te vergissen en zeker als hij de persoon in kwestie niet kende. Maar zijn hypothese is natuurlijk wel héél erg ver gezocht, ja zelfs hoogst onwaarschijnlijk. Eigenlijk besefte Reedijk dat ook wel want hij kwam met een tweede mogelijkheid, namelijk denoordertoren van de kathedraal van Chartres die in 1506 aan het hemelvuur ten onder ging. Afgezien van het feit dat 1506 wel wat laat is in de chronologie van de verzen van Erasmus, is ook daar een prelaat Gerardus in geen velden of wegen te bekennen, ofschoon Nicolaas van der Blom via een al even gekunstelde redenering daar anders over dacht.3 Hij wil namelijk de eigenaam Scastus lezen als Sanctis waarmee de tekst een geheel andere wending kreeg en de abt Girardus geen achternaam meer had. Het probleem was echter dat ten tijde van de brand Renée d’Illiers bisschop was en daar is geen Girardus van te maken. Maar Van der Blom vindt toch een oplossing want Erasmus kende die man, althans van naam, ja had zelfs zijn vertaling van Lucianus’ Alexander aan hem opgedragen. En dan volgt weer een hoogst merkwaardige redenering, dankzij het feit dat de Girardus uit het opschrift intussen geen achternaam meer heeft. Renée, de voornaam van de bisschop, is Renatus in het Latijn. Maar vervolgens zou er miscommunicatie tussen Erasmus en de Parijse drukker zijn opgetreden waardoor er tenslotte Girardus kwam te staan. Of in gewoon Nederlands, de auteur werkte naar zijn doel toe. Harry Vredeveld, medeuitgever van de verzamelde werken van Erasmus, kwam daarom met een nieuwe hypothese, de abdijkerk van St.-Geneviève te Parijs. De kerktoren van dit complex werd echter al in 1483 door de bliksem getroffen, wel wat erg vroeg is gezien het veronderstelde jaar van rond 1501 voor de Erasmusopschriften. De toren werd hersteld door abt Philippe Cousin, maar de prior van de paters Augustijnen rond 1497 was een zekere Pierre Gerard Kortom, men heeft weer een Gerardus gevonden, maar of het de ware is, moet betwijfeld worden. Want wat zou die abt met het herstel van de toren te. maken hebben?
Trouwens, geen der klokken heeft de naam van Geneviève, wat toch voor de hand ligt voor een abdij van die naam, ja zelfs gebruikelij is. Datzelfde geldt ook voor het klooster te De Hem. Dat was namelijk toegewijd aan de H. Michael, maar in de opschriften van Erasmus droeg geen der klokken die naam. Allengs wordt wel duidelijk wat er aan de hand is met dit soort hypothesen. Een brand door blikseminslag in een toren is in West Europa van rond 1500 her en der wel te vinden, doch het is de naam van de betrokken abt Girardus Scastus die problemen geeft.Via allerlei ingewikkelde redenering probeert men aan dit dilemma te ontkomen. Maar geen enkele weet te overtuigen. Kortom, het onderzoek zat muurvast. De opschriften bestemd voor de Abdij van Averbode. Ook de auteur van dit artikel heeft zich al decennia lang het hoofd gebroken over de vraag voor welke klokken deze opschriften bestemd waren, totdat hij kortgeleden een oplossing vond. Wij zullen daarbij de paden die de schrijver volgde, niet opnieuw betreden, doch ons tot het resultaat beperken: de klokken waren bestemd voor de Abdij van Averbode onder prelaat Gerardus van der Scaeft. Het gaat hierbij om een klooster van de Premonstratenzers die naar hun stichter Norbertus (1080-1134) ook wel Norbertijnen worden genoemd, of naar hun kleding Witheren. Opgemerkt zij dat Averbode 25 km noordoostelijk van Leuven ligt. Wij nemen bij onze hypothese aan dat de Parijse drukker van deze opschriften in Erasmus’ handschrift Scastus heeft gelezen waar Scaftus stond, dat hij derhalve een f voor een zogenoemde lange s heeft aangezien. Het was een fout die wel vaker voorkwam en zéker als de drukker het woord niet kende, dus in dit geval de eigennaam. Scaftus is dan de gelatiniseerde vorm van Scaeft. Het lijkt een redelijke veronderstelling en zeker als wij bovendien ontdekken hoeveel factoren er nog meer voor die identificatie pleiten. Men zie ook de foto van de Moer-klok uit 1509 waar twee maal en lange s op te zien is. In de nacht van 25 op 26 oktober 1499 werd de abdijkerk door de bliksem getroffen. Een deel van de kerk en de toren in zijn geheel brandden af. De zes klokken die Henrick Waghevens uit Mechelen in 1473 had gegoten gingen daarbij verloren. Nadat Gerardus van der Scaeft in 1501 tot abt benoemd was,nam deze de herbouw met kracht ter hand. Maar ditmaal kocht hij de klokken niet in Mechelen, toen toch een vermaard centrum van bronsindustrie, doch in ‘s-Hertogenbosch. Hij had daar een goede reden voor, want de Bossche klokkengieter Jaspar Moer was zijn zwager.4 Die was namelijk met zijn zuster Lucia getrouwd. Hij was bovendien op een uitstekend adres, want Jaspar en zijn oudere broer Willem waren in deze gewesten befaamd om hun mooie en klankrijke klokken. Op 14 oktober 1503 is Willem Moer in persoon te Averbode om het contract met de abdij te tekenen. Zijn broer Jaspar en hij zullen zes luidklokken leveren, stemmend met de uurklok die als mi of fa zou klinken. De zes klokken dienen op do een diatonische reeks te vormen. Later zal blijken dat ze tezamen 6600 pond wogen waaruit berekend kan worden dat de zwaarste een e1, dus mi, geweest moet zijn van omtrent 2100 pond en de kleinste een cis 2 van 450 pond. De gehele reeks luidde dus: e 1 – fis1 – gis 1 – a1 – b1 – cis2.De bepalingen in het contract waren scherp geformuleerd, zoals de eis dat de klokken “sullen accorderen, ende dat se goet van thoone [zijn] ende lofbaer spelen”. En mochten de broers daarin niet slagen dan dienden ze de klokken te hergieten totdat ze wél aan de gestelde eisen zouden voldoen. Voor elke honderd pond klok zullen zij voor arbeid vijftien stuivers ontvangen, het gebruikelijke honorarium in die tijd.En tenslotte, de levering moest op zijn laatst omstreeks Pasen 1504 plaatsvinden. De zes opschriften van Erasmus waren dus voor deze zes klokken bestemd. Dit wordt nog eens ondersteund door het feit dat Erasmus einde 1502 en het gehele jaar 1503 te Leuven vertoefde. En dat is dus niet ver van Averbode. Erasmus was overigens niet zonder reden naar Leuven getrokken. Voordien woonde hij te Parijs, doch in 1501 brak daar de pest uit, reden waarom hij onder meer uitweek naar Saint-Omer en Tournehem, niet ver van Calais. Vandaar kwam hij einde 1502 naar Leuven. Hij kreeg daar vrijwel direct een docentschap aan de universiteit aangeboden en nog wel op voorspraak van Adriaan van Utrecht die daar deken van de St. Pieter was en later meer bekendheid verwierf als paus Adrianus VI. Maar hij ging daar niet op in. Eén van de redenen is, zo schreef hij, “dat ik hier te dicht bij de Hollandse tongen zit, die weten hoe schade te berokkenen, maar nooit hebben geleerd iemand tot steun te zijn.” Achtergrond van deze uitspraak was ongetwijfeld Erasmus’ voortdurende vrees onenigheid met anderen te zullen krijgen. Hoe kwam Erasmus met Averbode in contact? Om deze vraag afdoende te kunnen beantwoorden ontbreken de schriftelijke bronnen. Maar drie hypothesen zijn mogelijk. De eerste heeft betrekking op de jeugdjaren van Erasmus toen hij tot 1487 een aantal jaren in Den Bosch verbleef. Hij ging daar naar school en woonde in het fraterhuis van de Broeders des Gemenen Levens. Maar het waren niet degelukkigste jaren van zijn leven zoals hij later schreef. Maar heeft hij toen misschien kennis gemaakt met zijn leeftijdgenoten, de klokkengieterszonen Willem en Jaspar Moer die mogelijk dezelfde stadsschool bezochten? Onwaarschijnlijk is dat geenszins.Anderzijds, en dat is de tweede mogelijkheid, kan hij evengoed tijdens zijn verblijf te Leuven kennis hebben gemaakt met de abdij van Averbode? Onwaarschijnlijk is dat al evenmin en dit temeer niet, omdat dezelfde orde der Norbertijnen ook het klooster Park, vlakbij Leuven hadden. Zeker is namelijk dat Erasmus daar geweest is, zij het pas in de zomer van 1504. In de bibliotheek van dit klooster was hij op zoek geweest naar oude boeken. “In geen bergen of dalen is het aangenamer jagen”, zo schreef hij een vriend. Hij vond daar een manuscript dat hij van groot belang achtte, namelijk de “Aantekeningen op het Nieuwe Testament” van de in zijn tijd bekende Lorenzo Valla. Was hij ook in het voorafgaande jaar op Park geweest? Het is niet onwaarschijnlijk. Hetlijkt namelijk aannemelijk dat tussen Park en Aver-bode ook klokkenkundige contacten zijn geweest. Park had namelijk al in 1479, als één der eersten, zo niet als dé eerste, een automatisch klokkenspel laten gieten dat in dit geval het “Inviolata integra et casta es Maria” kon laten horen.8 Geliefd in die tijd? Zeker is dat niemand minder dan Josquin Desprez (ca. 1440–1521) deze sequens met vijf stemmen toonzette. Maar waarschijnlijk was dat pas ná de installatie in Park. Het voorbeeld heeft stellig navolging gevonden, ofschoon wij tot 1503 moeten wachten voordat wederom van gespeelde melodieën melding werd gemaakt. Dat was op 15 oktober 1503 op de abdij te Averbode! Wij herinneren ons hoe Willem Moer aldaar een dag eerder een contract voor het gieten van zes klokken had afgesloten. Maar de dag daarna volgde de afrekening van vijf reeds eerder geleverde klokjes met een totaalgewicht van slechts 297 pond. In de kop van de afrekening staat: “Nole ad preludium horalogii [sic a]”, dus klokjes voor de voorslag van het uurwerk. Ze speelden op het heel uur “Sancti Spiritus assit nobis gratia” en op het half uur “Virgini Marie laudes”. Uit dit voorbeeld blijkt weer eens dat de toenmalige voorslagklokken vele malen kleiner waren danluidklokken. Door dat onderscheid moeten wij de zes diatonisch gegoten klokken die tezamen 6600 pond wogen en allerwaarschijnlijkst dus de opschriften van Erasmus droegen, als luidklokken zien. Vervolgens dringt zich een vergelijking met Utrecht op alwaar even later dertien diatonisch gestemde klokken van zeer groot gewicht door Geert van Wou voor de Domtoren werden gegoten. Daar werd in wisselende samenstellingen niet alleen mee geluid, maar er werd ook op gebeierd. Was zulks ook het geval in Averbode? Maar er is nog een derde mogelijkheid om het contact tussen de abdij en Erasmus te verklaren. Interessant is namelijk dat de eerdere genoemde Adriaan van Utrecht, de latere paus, een vriend van abt Gerardus van der Scaeft was, ofschoon zij ook beroepsmatig veel contact hadden. Had Adriaan, die Erasmus tevergeefs een docentschap aan de Leuvense universiteit had aangeboden, hem met de abt in contact gebracht? Wij weten het niet. Maar onwaarschijnlijk is het geenszins. De klokken met opschriften van Erasmus bestaan niet meer. De klokken bestaan al lang niet meer. Werden ze opgeofferd aan het klokkenspel dat François Hemony in 1662 leverde? 10 Stellig niet want de rekening die Hemony indiende, vermeldt daar niets van. Integendeel, de prijs die Hemony voor één pond gegoten en gestemde klok vroeg was 22 stuivers, een heel gebruikelijk bedrag. Ook werd geen brons in mindering gebracht. Het lijkt er dan ook eerder op dat de Erasmus-klokken, als wij die zo mogen noemen, gedurende de Franse overheersing geconfisqueerd zijn, zoals dat toen met zovele goederen vankloosters gebeurde. En hoe het verder ging na de levering van de zes luidklokken? De gieterij van Moer in Den Bosch kon in de loop der jaren regelmatig blijven leveren. Zo hergoot Jaspar Moer, zijn broer Willem was intussen gestorven, in 1522 de lichte voorslag uit 1503 van 297 pond tot een zwaardere van 902 pond. Maar ook de geest van Erasmus en de Renaissance was blijven hangen. Want ze kregen Latijnse spreuken uit de klassieke oudheid, geïnspireerd op Seneca. Zo werd op de tweede klok gegoten: “Mors sceptra, ligonibus equat”, vrij vertaald: “De dood maakt iedereen gelijk.”
Zie ook https://www.carillonsindelagelanden.nl/desiderius-en-het-klokkenspel/
