Een doorgaans grote messing of ijzeren wals waarin voor elke speelhamer een baan met gaatjes is aangebracht waarin stiften, nootjes genaamd, gestoken kunnen worden. Zodra tijdens het draaien van de trommel een nootje de bijbehorende lichter uit het trommelklavier laat kantelen, wordt de hamer van de klok gelicht. Na passeren van het nootje valt de hamer op de klok, doch wordt daarbij onmiddellijk van de klok afgeduwd door een lange bladveer. Een trommelmaat, dat wil zeggen de afstand tussen twee gaatjes, wordt doorgaans door nootjes met bruggen van verschillende lengtes in achten ingedeeld. Die boven het gaatje is de eerste tel en heet daarom eentje. Het tweetje is een achtste verder, een drietje een kwart enz. Het achtje is zeven achtste noten van het eentje verwijderd en een achtste van de volgende trommelmaat.
Messing speeltrommel in de Domtoren te Utrecht, gegoten van de gebr. Hemony
Principe van een speeltrommel Speeltrommel A draait in stelling B rond door gewicht N waarvan het touw om de gewichtstrommel C is gelegd. Zodra nootje H onder lichter G komt, zal hamertrekker D omlaag worden getrokken en daardoor hamer ( I, L, M) omhoog. Nadat het nootje H lichter G is gepasseerd, zal de hamer tegen de klok slaan waarbij veer J ervoor zorgt dat de hamer niet tegen de klok blijft rusten. Spanwartel F wordt gebruikt om de juiste draadlengte in te stellen.
